Het Joodse Getto in Rome

Als je vanaf het Tibereiland, via de Ponte Fabricio, de rivier de Tiber oversteekt, kom je in dat deel van Rome terecht, dat door het leven gaat als ‘rione XI – Sant’Angelo’. In dit 11e district van Rome, dat deel uitmaakt van het oude, historische centrum, vind je het Joodse Getto van Rome.

Dat getto, dat op z’n Italiaans ‘Ghetto di Roma’ heet, ontstond nadat kardinaal Pietro Cafaffa in 1555, als Paulus IV plaats nam op de pauselijke troon. Hij publiceerde in datzelfde jaar een bul die hij begon met de woorden ‘Cum nimis absurdum’.

In dat pauselijk epistel gaf Paulus IV te kennen dat hij zich genoodzaakt zag een aantal maatregelen te nemen tegen de Joden. De reden daarvan was dat de Joden de hervormers aan de oorspronkelijke tekst van de bijbel hadden geholpen. Deze hervormers (waarvan Luther één van de meest bekende is) werden door de Rooms katholieke kerk als ketters aangemerkt. De Katholieke kerk had bepaald dat ketters, die weigerden zich openlijk af te keren van hun ketterse leer, op de brandstapel terecht zouden komen.

De Joden werden er door de paus niet alleen van beschuldigd dat ze de originele tekst van de bijbel in handen gespeeld van de ketters. Nee, ze werden er ook verantwoordelijk voor gehouden dat ze aan de ketters de Hebreeuwse taal hadden onderwezen, zodat die laatsten in staat waren geweest de bijbel in de gangbare Europese talen te vertalen, waardoor een steeds groter publiek de bijbel kon gaan lezen. En dat tastte de gezaghebbende positie van de Rooms katholieke kerk aan.

In zijn bul schreef de paus dat de Joden, die volgens de toen heersende opvatting, toch al een door God vervloekt volk waren, omdat ze verantwoordelijk waren voor de moord op Jezus Christus, misbruik hadden gemaakt van de christelijke liefde en verdraagzaamheid. Het Joodse volk had, volgens de paus, deemoedig op de achtergrond moeten blijven. Maar in plaats van dat te doen, hadden de Joden veel te veel macht naar zich toegetrokken. Bovendien waren ze zo brutaal geweest om in de onmiddellijke nabijheid van kerken te verblijven, terwijl ze niet herkenbaar waren als Joden. Ook waren ze dure huizen gaan huren, hadden grond weten te verwerven en ze hadden christelijke mensen als bedienden in hun huizen aangenomen, waardoor de christelijke eer met voeten was getreden.

Dat alles vond de paus dus  zo ‘absurdum’, dat hij ervoor koos om in de bul een aantal maatregelen tegen de Joden uit te vaardigen die in Rome (of in één van de andere steden van de Kerkelijke Staat) woonden. Onderstaand staat een aantal van die maatregelen:

  • De Joden moesten in een aparte, ommuurde wijken gaan wonen, zodat ze gescheiden werden van de overige bewoners.
  • Geen enkele Jood mocht gedurende de nacht de ommuurde wijk verlaten. Dat kon ook niet want vanaf het begin van de avondschemering tot het moment van de zonsopgang werden de poorten van de Jodenwijk gesloten en werden de poorten bewaakt.
  • Iedere Joodse gemeenschap mocht nog slechts één synagoge hebben. Waren er meer synagogen dan moesten die worden afgebroken.
  • De Joodse bewoners van de Kerkelijke Staat werden verplicht opvallende uiterlijke kenmerken te dragen, zodat anderen konden zien dat men met Joden van doen had. Zo moest een Joodse man een gele hoed dragen en een Joodse vrouw een gele hoofddoek.
  • Joden mochten zich door christenen niet meer laten aanspreken met ‘heer’.
  • Ze mochten geen grond, huizen of andere onroerende zaken in eigendom hebben.
  • Ze mochten nergens meer in handelen, behalve in lompen. Zo’n beetje alle andere ambachten en beroepen mochten ze niet meer uitoefenen.
  • Ze mochten geen christelijk personeel meer in dienst hebben.
  • Last but not least moesten ze zelf de bouwkosten betalen van de gevangenismuur die rond het getto werd opgetrokken. De muur rond het Ghetto di Roma kostte maar liefst een bedrag van liefst 300 scudi (dat stond gelijk aan de waarde van ca. 7 kilo zilver!).

De bul van de paus werd op 12 juli 1555 uitgevaardigd. Precies 14 dagen later, op 26 juli 1555, zaten de 2.000, in Rome wonende, joodse mensen opgesloten in een klein gebied, dat bestond uit 4 huizenblokken, waar amper 1.000 mensen konden wonen. Het getto telde in eerst instantie twee poorten. In latere eeuwen werd dat aantal uitgebreid tot acht.

View Larger Map -het hedendaagse Joodse getto van Rome-

De omstandigheden in het getto moeten allerbelabberdst zijn geweest. In al de eeuwen dat het bestond, was het bijna altijd overbevolkt. Zo woonden er rond 1650 zo’n 4.000 mensen in het getto. Wegtrekken naar een ander gebied was vrijwel onmogelijk. Want in bijna geen enkel Europees land waren de (vaak straatarme) Joden welkom.

De bewoners moesten voor het privilege dat ze genoten om in het getto te wonen jaarlijks een fikse belasting ophoesten. Daarnaast dienden ze ieder jaar opnieuw zweren dat ze loyaal waren aan de paus. Dat ‘eerbetoon’ moesten ze brengen bij de Boog van Titus, het monument dat symbool staat van de verovering van Jeruzalem en de ondergang van de Joodse tempel. En zo waren er nog een groot aantal vernederende zaken waar de Joden mee te maken kregen, simpelweg omdat men tot het Jodendom behoorde.

Voorlopig hou ik het even bij dit trieste stuk Joodse geschiedenis in de stad Rome en de Kerkelijke Staat…….

 

Comments are closed.